| BRON: De Standaard Online: "La Convention, c'est moi" | ||
| De uitbreiding van de EU belandt in een impasse als de cruciale mechanismen van haar dagelijks functioneren niet vereenvoudigd worden | ||
|
||
|
De werkzaamheden van de Europese Conventie over de
toekomst van Europa nemen nu meer concrete, en in zeker opzicht ook meer
alarmerende, vormen aan. De Conventie is nog maar net over halfweg, maar heeft duidelijk al enkele opmerkelijke stappen in de richting van meer integratie gezet. Het idee van een Europese grondwet wordt nu door zowat iedereen aanvaard. Sommige van de elf werkgroepen zijn met ambitieuze voorstellen op de proppen gekomen, onder meer over de vereenvoudiging van de verdragen en de procedures, over het buitenlands beleid van de Unie, het Charter van de Grondrechten en het beleid inzake interne veiligheid. Dat de meeste regeringen hun minister van Buitenlandse Zaken in de strijd gooien, toont aan dat ze ervan overtuigd zijn dat de Conventie het belangrijkste Europese forum is. Maar er tekenen zich ook minder positieve tendensen af binnen de Conventie. Zo is het duidelijk dat de Conventievoorzitter, Valéry Giscard d'Estaing, een eigen parallelle agenda volgt. Vaak sloot hij de debatten van de plenaire zitting af met vooraf geschreven conclusies, die meer zijn persoonlijke ideeën reflecteerden dan de algemene teneur van de debatten. Bovendien was Giscard opvallend stil over de tegenwind die zich in de plenaire zitting tegen bepaalde voorstellen aftekende (onder meer tegen het Frans-Duitse voorstel). Uit een recent onderhoud met Le Figaro blijkt duidelijk dat het motto van de voorzitter, naar analogie met Louis XIV, almaar meer ,,La Convention, c'est moi'' wordt. Bovendien stevent de Conventie af op hervormingen die enkel tot doel hebben een diepere integratie te bemoeilijken en zelfs af te remmen. Dat is zeker het geval voor de afbakening van de bevoegdheden, de controle op de subsidiariteit (het principe dat zoveel mogelijk besluiten moeten worden genomen op het bestuursniveau dat zo dicht mogelijk bij de burger ligt) en de grotere inspraak van nationale parlementen in deze controle. Het voorstel voor de oprichting van een Congres en het Frans-Duitse voorstel voor een permanente Raadspresident kunnen we gerust aan dit lijstje toevoegen. De meeste projecten voor een nieuwe afbakening van de bevoegdheden zijn niet zonder gevaar: ze dreigen de werking van de interne markt en de muntzone te verstoren en maken het moeilijker voor de Unie om aan toekomstige uitdagingen het hoofd te bieden. Deze projecten dragen ook niet bij tot een beter begrip van de Europese Unie bij de bevolking. Daarbovenop zal de controle van de subsidiariteit -- in essentie een ,,fake'' probleem -- door de nationale parlementen het besluitvormingsproces binnen de EU nog moeilijker maken. Nog gevaarlijker is de creatie van nieuwe instellingen. Met het oog op de huidige desinteresse (en zelfs afkeer) onder de bevolking voor de EU instanties, is dit wel het laatste wat de Unie nodig heeft. Zo promoot de Conventiepresident de oprichting van een Congres, een nieuwe raad die als ontmoetingsplaats moet dienen voor de nationale parlementen. Het toekennen van een formele rol aan het Congres leidt ontegensprekelijk tot een verzwakking van het Europese Parlement. Het Frans-Duitse voorstel om de Europese Raad van een permanente president te voorzien, die zou functioneren naast (of boven) de Commissiepresident, is in hetzelfde bedje ziek. De Frans-Duitse tekst bevat heel wat positieve elementen, maar de creatie van een presidentieel duumviraat is helemaal niet wenselijk. Dat zou de Unie nog moeilijker begrijpbaar maken voor de publieke opinie dan nu al het geval is. Het is gewoon surrealistisch dat deze voorstellen werden gedaan door mensen die meermaals hun wens hebben uitgedrukt de burger een antwoord te bieden op de vraag ,,wie doet wat in Europa?''. Dit voorstel gaat net in de omgekeerde richting, en maakt bovendien het besluitvormingsproces nog complexer. En dat is wel het laatste waar de Unie nood aan heeft, aan de vooravond van de moeilijkste uitbreiding uit haar geschiedenis. Het valt ook te betwijfelen of dit duumviraat tot een betere externe vertegenwoordiging van de Unie zal leiden. En, last but not least: het voorstel heeft een weinig democratisch karakter. Het is paradoxaal dat, net nu men de keuze van de kiezer een grotere rol laat spelen in de samenstelling van de executieve van de Unie (de Commissie), de macht van de executieve beknot wordt door er een niet-democratisch verkozen president boven te plaatsen. Maar het grootste gevaar in de huidige discussie is dat bepaalde thema's, die cruciaal zijn voor het welslagen van de uitbreiding, onder de mat worden geveegd. Het uitgebreide Europa kan gerust zonder een herdefiniëring van de bevoegdheden, een zwaardere subsidiariteitstest, en nieuwe instituties. Maar de uitbreiding dreigt wel in een impasse te belanden als de cruciale mechanismen van haar dagelijks functioneren niet vereenvoudigd worden. In de eerste plaats betekent dit dat Europa het gebruik van meerderheidsbeslissingen absoluut moet uitbreiden. Cruciale beslissingen nemen met unanimiteit van stemmen is onhoudbaar in een Unie van 25 en meer lidstaten. Daarnaast moeten ook de modaliteiten van deze meerderheidsbeslissingen aangepast worden, want dat werd in Nice op aberrante wijze geregeld. Verder moet de EU absoluut de procedure voor het herzien van de grondwet aanpassen. Referenda houden tot de bevolking instemt, is niet echt een efficiënte methode. De procedure moet soepeler, en ook hier moet de vereiste van unanimiteit begraven te worden. Ten slotte is er duidelijk een behoefte aan een versterkte economische coördinatie. De eurozone presteert momenteel op zijn zachtst gezegd ondermaats. Dat is deels te wijten aan de inadequate institutionele structuur: met name een grotere rol voor de Commissie dringt zich op. Als de Conventie op deze vier domeinen concrete resultaten kan boeken, zal ze een duidelijke vooruitgang betekenen. Indien niet, dan zal Giscards droom -- de fundamenten van de Unie leggen voor de komende decennia -- nog sneller vervagen dan de inkt van de nieuwe grondwet. En dan zitten we binnen vier jaar opnieuw rond de onderhandelingstafel. (De auteurs zijn respectievelijk directeur en researcher bij het KIIB, het Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen.) |
||
|
©Copyright De Standaard
|