| BRON: De Standaard Online: In de strijd tegen terreur is een sterker Europa het beste wapen |
| Jordi Garcia Martinez |
| Standpunt/Opinie : 25/3/2004 |
| In de strijd tegen terreur is een sterker Europa het beste wapen |
|
DE aanslagen van 11 maart in Madrid vestigen er onze aandacht op dat Europa hard werkt aan de politionele en gerechtelijke samenwerking. Maar wanneer we de resultaten van de vier jongste jaren bekijken, blijkt jammer genoeg dat de grote intentieverklaringen van de regeringen niet altijd door concrete realisaties zijn gevolgd.
|
|
Sinds de impulsen die door de Europese Raad van
Tampere in 1999 en door de Europese Raad van Brussel na de terroristische
aanslagen van 11 september 2001 werden gegeven, is er een bepaalde
vooruitgang geboekt. De belangrijkste realisaties zijn het Europese
aanhoudingsbevel en het kaderbesluit over het terrorisme. De eerste
maatregel maakt voor een aantal misdrijven (met inbegrip van de zwaarste)
een einde aan de omslachtige uitleveringsprocedures tussen de lidstaten. Dit
is een revolutie in het strafrechtelijk systeem van de lidstaten waarvan we
de impact op termijn zeker niet mogen onderschatten. De tweede maatregel
heeft de definitie van en de straffen voor terroristische misdrijven in heel
de Unie geharmoniseerd. Dat was nodig, want tot dan toe was terrorisme als
dusdanig in slechts zes lidstaten een strafbaar feit, hoe vreemd dat ook kan
lijken. Toch moet er nog veel gebeuren. De recente aanslagen in Madrid bewijzen dat de aard van de dreiging veranderd is. De terroristische dreiging is zo groot geworden dat zelfs lidstaten als Spanje en het Verenigd Koninkrijk, die met de strijd tegen het 'nationale' terrorisme (ETA, IRA) vertrouwd zijn, machteloos lijken. We hebben dus een nieuwe benadering nodig. Enerzijds vertoont het huidige systeem verscheidene zwakke punten. De harmonisering van de wetten is vaak bedrieglijk en minimaal. De operationele aspecten van de samenwerking tussen de politie- en de gerechtelijke diensten worden dikwijls verwaarloosd. Ten slotte is het Europese kader voor de strijd tegen het terrorisme en de georganiseerde misdaad meestal gebaseerd op een samenwerkingslogica in plaats van een integratielogica. Samenwerking heeft het voordeel dat ze gemakkelijker door de lidstaten wordt aanvaard, omdat ze de nationale soevereiniteit niet aantast. Maar ze biedt niet de centralisatie van de informatie en het reactievermogen die nodig zijn om de nieuwe gevaren die Europa bedreigen, te bestrijden, vooral in een Unie met 25 lidstaten. Organisaties als Europol en Eurojust centraliseren voortaan bepaalde informatie op Europees niveau. Maar ze missen reële operationele capaciteiten. Europol is geen Europese politiedienst naar het voorbeeld van het Amerikaanse FBI en Eurojust is lang geen Europees parket. Ten slotte bestaat er, zoals in de jongste maanden helaas te duidelijk is gebleken, nog een sterke weerstand tegen de systematische uitwisseling van informatie. Deze zwakke punten leiden onvermijdelijk tot de conclusie dat de huidige verdragen ondanks de belangrijke vooruitgang van de jongste jaren geen geschikt kader vormen voor een efficiënte bestrijding van de gevaren van het terrorisme en de internationale criminaliteit. We moeten dus van de hervorming van de verdragen profiteren om een nieuw intern veiligheidssysteem in Europa te organiseren. De Europese Conventie heeft interessante voorstellen in die richting gedaan. Voor de meeste maatregelen zou de unanimiteitsregel verdwijnen. De wederzijdse erkenning zou een basisprincipe van de gerechtelijke samenwerking worden. Samenwerkingsorganen als Eurojust en Europol zouden wat meer bevoegdheden krijgen. Er zou een Europese procureur kunnen komen (maar alleen met het unanieme akkoord van alle lidstaten, wat hoogst onwaarschijnlijk is). Anderzijds is de Conventie over de toekomst van Europa er niet in geslaagd de operationele aspecten van de samenwerking op Europees niveau te versterken. Ze blijft ook de harmonisering van het strafrecht tot het minimum beperken. Ten slotte zegt ze niets over de samenwerking tussen de inlichtingendiensten. Als men echt vooruitgang wil boeken, zal men deze punten ongetwijfeld moeten verbeteren. De Intergouvernementele Conferentie die in september 2003 opende, heeft precies het omgekeerde gedaan. Het Italiaanse voorzitterschap heeft bijvoorbeeld een amendement ingediend dat het mogelijk maakt om beslissingen over de interne veiligheid te blokkeren door ze aan de Europese Raad over te dragen. Nog erger: de bevoegdheid van de toekomstige Europese procureur voor de grensoverschrijdende criminaliteit is geschrapt. Het is duidelijk dat dergelijke stappen terug niet zullen helpen om het terrorisme beter te bestrijden. Echte hervormingen zijn des te noodzakelijker omdat, zoals we hebben gezien, vooral de terroristische dreiging van aard is veranderd. Ze komt uit bronnen die verder van ons liggen en heeft een meer transnationaal karakter. Dat wijkt af van de traditionele vormen van terrorisme waarmee de Europese staten al lang te maken hebben. Wat gisteren al weinig efficiënt was, dreigt dat morgen dus nog minder te zijn. Een klassieke benadering, gebaseerd op de traditionele internationale samenwerkingsmechanismen, dreigt minder productief te zijn. De gedeeltelijke integratie van de inlichtingendiensten, wat Oostenrijk en België voorstellen, kan voor sommigen een utopie lijken. Maar dat zei men in het begin ook over de gemeenschappelijke markt en de eenheidsmunt. Als er meer aanslagen komen, zullen de regeringsleiders zich moeilijk kunnen blijven beperken tot het opstapelen van bureaucratische niveaus in naam van meer efficiëntie. Jordi Garcia Martinez (De auteur is een onderzoeker van het Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen. Hij publiceerde samen met Franklin Dehousse het artikel ,,La coopération policière et judiciaire pénale de l'Union Européenne. Les lents progrès d'un nouveau projet européen'' in Studia Diplomatica.) Vertaling Home Office |
|
©Copyright De Standaard
|