|
ER is iets eigenaardigs aan de hand met de kwestie-Irak. Een grote
meerderheid in de publieke opinie, in Europa, in de Verenigde Staten en
elders, staat sceptisch tot vijandig tegenover een oorlog, maar uitgerekend
van landen die dit standpunt vertolken, wordt gezegd dat zij diplomatiek
geïsoleerd zijn.
België behoort, samen met Frankrijk en Duitsland, tot het kamp van de
weigerachtigen. Zij hebben tijd noch moeite gespaard om een oorlog op de
lange baan te schuiven en de VN-inspecteurs in Irak meer tijd te gunnen.
Maar hun probleem is dat zij de indruk geven geen duidelijk alternatief te
bieden voor een oorlog. En toch is er een alternatieve oplossing. Ze ligt
zelfs voor de hand.
Als massavernietigingswapens de reden zijn waarom Irak de oorlog wordt
verklaard, waarom dan niet openlijk zeggen dan het alternatief bestaat in
een herhaling van het inspectieregime zoals dat gefunctioneerd heeft tussen
1991 en 1998?
In de loop van die zeven jaar hebben de inspecteurs onvergelijkbaar meer
nucleaire, biologische en chemische wapens en de infrastructuur hiervoor,
vernietigd dan alle militaire operaties, de Golfoorlog inbegrepen.
De voormalige Amerikaanse president Jimmy Carter verklaarde enkele dagen
geleden iets soortgelijks: aangezien er geen echt onmiddellijk gevaar dreigt
vanwege Irak, waarom geen duurzaam en uitgebreid inspectieteam opstellen,
dat als een permanent orgaan van de Verenigde Naties functioneert, zolang de
Veiligheidsraad dat nuttig acht?
Het mandaat van het huidige inspectieregime is veel strenger dan dat van
zijn voorganger. De inspectieteams zijn vandaag ook veel zorgvuldiger en
neutraler samengesteld dan in de jaren negentig en zijn de ervaringen van
toen rijker. Er is dus alle reden om aan te nemen dat wat hun voorgangers
konden, zij nog beter kunnen, namelijk wat nog rest aan
massavernietigingswapens opsporen en vernietigen, zonder oorlog.
Zo'n permanent inspectieregime biedt nogal wat voordelen. Het grootste
voordeel is ongetwijfeld dat we daarmee de ongewenste en de onvoorspelbare
gevolgen van een oorlog vermijden. De enige zekerheid aan een oorlog is de
begindatum. Vanaf de tweede dag wordt men geconfronteerd met onverwachte
gevolgen en ongewenste consequenties.
Het volstaat even te denken aan de Eerste Wereldoorlog, het schoolvoorbeeld
van een preventieve oorlog. Die oorlog werd ingezet door
Oostenrijk-Hongarije en Duitsland met de bedoeling af te rekenen met het
Servisch nationalisme, dat een bedreiging leek voor het Habsburgse rijk. Men
verwachtte dat het een korte blitzkrieg zou worden, maar de Grote
Oorlog eindigde in de vernietiging van wat overbleef van het Habsburgerrijk
en de nederlaag van Duitsland.
Niemand kan voorspellen hoe de geplande oorlog tegen Irak zal aflopen. Een
snelle militaire overwinning op het Iraakse leger is mogelijk, misschien
zelfs waarschijnlijk. Men kan alleen maar hopen dat Saddam de tijd niet zal
gehad hebben om chemische of biologische wapens -- als hij ze zou hebben --
in te zetten tegen de Amerikaanse troepen en de buurlanden. Men kan ook
alleen maar hopen dat hij de tijd niet zal hebben om de olieputten in brand
te steken, zoals in 1991. Maar dan begint het pas. Onze politiediensten zijn
nu al doodsbenauwd voor de mogelijke opflakkering van terreuraanslagen in
onze contreien.
De Arabische publieke opinie zal het Amerikaanse militair bewind over Irak
-- hoe kort ook -- beschouwen als de eerste stap in de uitbouw van een
neo-imperiale perimeter. De kloof tussen 'hen' en 'ons' zal er nog door
verdiepen, ook al omdat iedereen vandaag zo bezig is met Irak dat alle
andere wereldproblemen die dringend aan een oplossing toe zijn, op de
achtergrond zijn gesukkeld.
Tegenover deze onzekerheden en, vooral, de mogelijke risico's van een oorlog
in het huidige internationale klimaat, steken de frustraties en de limieten
van een permanent inspectieregime gunstig af. Zo'n regime heeft ook andere
evidente voordelen, die goed aansluiten bij de traditionele bekommernissen
van de Belgische diplomatie en naadloos aansluiten met de publieke opinie.
Het versterkt de multilaterale instellingen, in de eerste plaats de
Verenigde Naties, in plaats van ze te marginaliseren. Het is conform met het
internationaal recht. En om even cynisch te zijn: het kan ook werken, zoals
gebleken is tussen 1991 en 1998.
Ten tijde van de Golfoorlog hebben sommige landen, waaronder Duitsland,
Frankrijk én België, tot aan de vooravond van het begin van de
krijgsverrichtingen getracht een diplomatieke oplossing te forceren. Dat is
toen niet gelukt, in de eerste plaats omdat Irak voet bij stuk hield. Stel
nu even dat België zijn pelgrimsstaf zou opnemen en, na Berlijn en Parijs
gepolst te hebben, samen met deze landen op zoek zou gaan naar medestanders.
Zoiets is de Belgische diplomatie op het lijf geschreven: een sterke en
voluntaristische bilaterale actie om multilateraal te scoren. De eerste
medestanders zullen de overige leden van de Veiligheidsraad zijn, die thans
in grote meerderheid een oorlog met zorg tegemoetzien en als het ware zitten
te wachten op een alternatieve uitkomst. Vervolgens zijn er de Arabische
landen, die stuk voor stuk Saddam wantrouwen en niets liever zouden hebben
dan hem permanent onder curatele te plaatsen, maar dan zonder de mogelijke
destabiliserende gevolgen van een oorlog. Er is ten slotte ook het ,,andere
Amerika'', dat, opiniepeiling na opiniepeiling, sceptisch blijft staan
tegenover de eenzijdig militaire Irak-fixatie van de regering-Bush.
Er is geen zee van tijd meer voor zo'n alternatieve oplossing. De zorgvuldig
georkestreerd retoriek van het Witte Huis en zijn medestanders zal met de
presentatie van Colin Powell woensdag het ,,window of opportunity''
verder afsluiten. Veertig jaar geleden was dat niet anders. Toen John
Kennedy door zijn directe medewerkers op het hart werd gedrukt dat alleen
een militaire campagne een einde kon maken aan de massavernietigingswapens
die de Sovjet-Unie op Cuba had opgesteld, opteerde hij te elfder ure voor
een diplomatieke oplossing. Zijn argument? Het past niet dat Amerika een
verrassingsaanval zou lanceren tegen een ander land, als duizenden
onschuldige burgers daarbij riskeren gedood te worden en de uitkomst hoogst
onzeker is. Niet wij zijn veranderd. Amerika is veranderd.
(De auteur is directeur van het departement veiligheid en global
governance aan het Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen
(KIIB) en doceert internationale politiek aan de Universiteit Gent.)
|