INTERNATIONALE KONING BOUDEWIJNPRIJS
VOOR ONTWIKKELINGSWERK
HOOFDLIJNEN VAN EEN STRATEGIE OM AFRIKA TE VERANDEREN
Door Ousmane SY,
Laureaat van de Internationale Koning Boudewijnprijs voor Ontwikkelingswerk 2004-2005
Directeur van het Centrum voor politieke en institutionele expertise in Afrika (CEPIA)
Regionaal Coördinator van het netwerk ‘Goed bestuur in Afrika’
Bamako - Mali
4. De redenen voor deze paradox zijn volgens mij in de eerste plaats de crisis van het overheidsoptreden – dus van het bestuur – dat de structurele verstoring van de postkoloniale staten bevestigt[1], de zwakte van het Afrikaanse leiderschap en het ontbreken van projecten en dromen voor het continent. De toespraken over onafhankelijkheid en nationale soevereiniteit lijken nu een retoriek voor staten die zelfs voor hun werking afhankelijk zijn geworden van de internationale gemeenschap. Staten die tegelijk te ver van de bevolking afstaan om zich op doeltreffende wijze om deze laatste te bekommeren, en die ook te klein en te zwak zijn om mee te tellen in een globaliserende wereld. Hierdoor groeit de kloof tussen het reële land en het wettelijke land dat niet in staat blijkt om in te staan voor de openbare dienstverlening en de stabiliteit van de samenleving te garanderen.
5. De gevolgen van deze situatie maken dat Afrika zich aftekent als een verloren continent waar armoede en ziekte onvermijdelijk lijken en waar de staten hebben blijk gegeven van hun structurele onvermogen en beperkingen om deze ontwikkeling te verwezenlijken en zelfs maar te omkaderen. Deze hopeloze situatie verscherpt de aanspraken op en de competitie rond de weinige beschikbare middelen. De “algehele vlucht”[2], buiten het continent, op zoek naar een betere toekomst, is de droom van de jeugd die geen alternatieven meer heeft in eigen land. De conflicten om de controle over de beschikbare middelen zelf stellen zowel de beperkte verworvenheden van eerdere inspanningen in vraag als de integriteit van deze middelen zelf. Daardoor zit het continent in een vicieuze cirkel waarbij elk conflict meer wanhoop en armoede creëert en omgekeerd.
9. De oprichting van gedecentraliseerde collectiviteiten in het kader van de decentraliserende hervormingen die plaatsvinden in de Afrikaanse landen, is een eerste stap. Maar de experimenten met een her-decentralisering van het overheidsbeleid moeten geïnspireerd worden door een politieke visie die gebaseerd is op een reëel streven naar verandering. De strategieën die op dit vlak tot verandering zullen leiden, zijn:
10. De vermenging en sociale en culturele integratie van de bevolkingsgroepen van de verschillende regio’s in Afrika is het werk van de volkeren en is ontstaan tijdens een langdurige, bewogen maar gemeenschappelijke periode. Deze traditie moet een steunpunt zijn voor de huidige pogingen tot politieke en economische integratie. De competitie en de concurrentie waarmee de liberalisering en de mondialisering van de uitwisselingen in arme economieën gepaard gaan, houden meestal een nog sterkere ongelijkheid en een extraversie van de nationale economieën in. De regionale ruimte moet de kwetsbare Afrikaanse staten een beheerst kader voor de uitwisseling van goederen en diensten kunnen bieden, alsook voor de harmonisering van het beleid, de oplossing van conflicten en strategische allianties ten opzichte van de andere regio’s in de wereld.
11. Maar het welslagen van dit soort dynamiek die inhoudt dat de soevereiniteit gedeeltelijk wordt losgelaten, vraagt los van de technische en institutionele mechanismen een politiek project dat expliciet genoeg is. Dit politieke project moet ruimschoots besproken en gevalideerd worden door alle spelers op alle niveaus. Het regionale integratiebeleid kan zich niet meer beperken tot de louter economische en financiële dimensie, maar moet een onderdeel zijn van een globalere problematiek betreffende de oprichting van federaties of unies van staten.
12. Afrika moet de obstakels voor de vorming van echte Staatsunies overwinnen, en meer bepaald de mythe van de nationale soevereiniteit en de opbouw van nationale identiteiten binnen te enge landsgrenzen. De bouw van de Federale Afrikaanse staat vraagt vrijwillige en vastberaden toegevingen inzake “soevereiniteit” zoals overal ter wereld.
13. De ordening van het regionale territorium zal een van de fundamentele aspecten zijn voor de integratie van de staten. Het continent in zijn geheel wordt gekenmerkt door een dubbele migratiebeweging: de overontwikkeling van de steden omringd door sloppenwijken en een verplaatsing van de bevolking naar de kustgebieden[3]. Deze intra- en interregionale migraties die de staten niet doeltreffend kunnen beheren, leiden tot druk op de rijkdommen, belasten het leefmilieu en veroorzaken conflicten bij het samenleven.
14. De toenadering tussen “grenslanden”, die steunt op territoria op het samenkomen van twee of meerdere landen en waar de relaties tussen de gemeenschappen aan beide kanten van de huidige grenzen polariseren, is een hefboom voor een hernieuwde integratie gebaseerd op de spelers van de nabijheid. Deze nieuwe benadering van het beheer van de huidige grenzen kan overleg tussen de nationale, lokale (gedecentraliseerde), communautaire overheden en privé-spelers bevorderen. Dat overleg moet uitmonden in het gemeenschappelijk maken van de regionale rijkdommen en het gemeenschappelijke beheer van bepaalde sociaal-economische infrastructuren en zelfs bepaalde administratieve en veiligheidsdiensten.
15. De creatie van universitaire pijlers en regionale centra voor wetenschappelijk onderzoek is de enige weg die het continent in staat zal stellen om zichzelf te voorzien van de nodige menselijke middelen om het prestatieniveau te halen dat vereist is in de wereldwijde concurrentie.
III. Tot slot de internationale ontwikkelingssamenwerking ten dienste van de ontwikkeling stellen.
16. Het is tegenwoordig een gemeenplaats te beweren dat de ontwikkelingssamenwerking via de steun van de internationale gemeenschap (bilateraal en multilateraal) niet de verhoopte gevolgen en impact heeft gehad. Ondanks meerdere decennia van financiële steun en technische bijstand bevindt het continent zich in een hopeloze situatie voor de Afrikanen en de vrienden van Afrika. Er rijzen steeds grotere vragen binnen en buiten Afrika betreffende het nut van de voortzetting van deze hulp. In Afrika wordt niet meer aan ontwikkeling gedaan, de internationale gemeenschap probeert de armoede te beperken, conflicten te voorkomen en tot slot humanitaire hulp te verlenen om het lijden te verlichten. Het wordt hoog tijd om het debat te openen over de hernieuwing van het partnerschap tussen Afrika en de “internationale gemeenschap”, om het zin te geven en doeltreffender en relevanter te maken. De veralgemening van de samenwerking via budgettaire hulp is een eerste inspanning in de zin van een grotere responsabilisering van de Afrikanen voor hun eigen keuzes, maar daarin moet verder worden gegaan.
17. De hernieuwing van het partnerschapskader dat vastgelegd moet worden tussen alle protagonisten kan rond de volgende principes georganiseerd worden:
§ De geleidelijke aanvaarding door de staten van de regionale integratieorganisaties en de lokale collectiviteiten als de nieuwe grote doelgroepen voor de ontwikkelingshulp.
§ Het strategische partnerschap ter ondersteuning van processen op lange termijn (10-20 jaar) moet de hoofdas voor de bijstand vanwege de internationale gemeenschap aan de ontwikkeling van Afrika zijn.
§ De ontwikkelingshulp moet gebeuren volgens modaliteiten die de doelgroepen verantwoordelijkheid geven door ze te steunen in hun keuzes en ze zo in staat te stellen hun successen en mislukkingen zelf te dragen.
§ De heropbouw van een ruimte voor een betere coördinatie van alle initiatieven inzake ontwikkelingshulp, om de concurrentie tussen hulpagentschappen en schenkende landen te overstijgen.